Philipp Bozzini construeerde in de achttiende eeuw een apparaat waarmee hij met behulp van kunstlicht in een lichaamsopening kon kijken. Op deze Lichtleiter is de hele endoscopie gebaseerd. Purkinje vermeldde in 1823 het fenomeen dat een bepaalde lichtinval het oog deed oplichten.


Hermann von Helmholz (1821-1894), hoogleraar in Königsberg, publiceerde in 1851 een geruchtmakend artikel over zijn oogspiegel. Het lukte hem om door enkele schuin geplaatste glasplaatjes licht in de pupil te werpen en gelijktijdig door dezelfde glasplaatjes de retina en de chorioidea te bestuderen. Deze uitvinding, die hij zelf meer een ontdekking noemde, is van grote invloed geweest op het onderzoek van het oog. Voor zijn verdienste werd von Helmholz in 1882 in de adelstand verheven.

Door de toevoeging door Christian Ruete van de holle spiegel met centrale opening, die Hofmann in 1841 had uitgevonden, is de ontwikkeling van de oogspiegel in ras tempo voortgeschreden.


Bij de indirecte oogspiegel worden de evenwijdige stralen die uit het oog komen in een verzamellens (13 dioptrieën, 20 dioptrieën) opgevangen en in het brandpunt van deze lens afgebeeld als een omgekeerd beeld. Dit beeld kan door de onderzoeker worden bekeken. Hij zal dan moeten accommoderen of een voorzetlens van 4 dioptrieën gebruiken om het beeld op een afstand van 25 centimeter te kunnen bekijken. De onderzoeker ziet dan een omgekeerd beeld van het netvlies .


Met deze methode kan een groot deel van het netvlies worden beoordeeld. De vergroting is aanzienlijk minder; bij een lens van 13 dioptrieën ongeveer vier keer, bij een lens van 20 dioptrieën is dat ongeveer drie keer. Het deel van de fundus dat in één oogopslag is te zien, is bij een sterkere lens echter groter; bij een 20-dioptrieënlens bedraagt dat 30 graden. Een ander voordeel van deze methode is dat de onderzoeker verder van de patiënt is verwijderd.

 

De Lairessestraat 59   1071 NT   Amsterdam   020-679 71 55   omca@me.com   www.omca.nl