Er kunnen verschillende problemen optreden met de holte waarin een prothese-oog gedragen wordt. Sommige problemen kunnen direct na de verwijdering van het oog optreden, andere problemen kunnen na een aantal jaren ontstaan.

  1. 1.Een tekort aan weefsel in de holte

Direct na verwijdering van een oog kan blijken dat de holte te klein is om er een oogprothese in te dragen. De plooi achter het boven - en onderooglid is dan te ondiep. De oorzaak is een tekort aan weefsel in de holte. Dit komt voor bij patiënten die al een aantal malen aan het oog geopereerd zijn, na ongevallen en na veretsing door loog, zuur of andere chemische stoffen. De behandeling bestaat uit aanvullen van weefsel, bijvoorbeeld met een slijmvlies-transplantaat uit de lip of van de binnenkant van de wang.

  1. 2.Een prothese die eruit valt

Wanneer een oogprothese uit de oogkas valt komt dat meestal doordat de plooi in het onderooglid waarin de oogprothese rust te ondiep is geworden. De plooi moet dan operatief dieper worden gemaakt. Soms kan dit door het bindvlies in de oogkasholte naar beneden toe vast te hechten. Soms is de hoeveelheid bindvlies hiervoor onvoldoende. Het slijmvlies in de oogkas moet dan worden aangevuld met een transplantaat. Meestal wordt hiervoor slijmvlies uit de binnenkant van de lip of wang gebruikt. In beide gevallen is een operatie onder narcose nodig.

  1. 3.Laagstand van het onderooglid

Het gewicht van een oogprothese steunt op de weefsels aan de binnenkant van het onderlid. Daardoor kan het onderlid geleidelijk lager komen te staan of gaan hangen. Dit is meestal goed te behandelen door het ooglid onder plaatselijke verdoving wat strakker te zetten.

  1. 4.Laagstand van het bovenooglid

Soms zakt het bovenooglid wat lager over de oogprothese dan over het ander oog. Dit kan verholpen worden door de spier in het bovenooglid onder plaatselijke verdoving wat strakker te zetten.

  1. 5.Uitstoting van het implantaat

Vreemd materiaal dat in het lichaam wordt geplaatst kan altijd worden uitgestoten, en dit geldt ook voor implantaten in de oogkas. Bij de door ons gebruikte bolvormige implantaten komt dit overigens zelden voor. In een vroege fase kan het soms voldoende zijn de voorzijde van het implantaat opnieuw met weefsel te bedekken. Wanneer dit niet meer mogelijk is kan een nieuw implantaat geplaatst worden. Wanneer ook een tweede implantaat wordt uitgestoten zal het volume in de oogkas worden aangevuld met een transplantaat van huid en vet van de bil.

  1. 6.Een te diep liggende oogprothese, een naar achter gekantelde oogprothese of een hoge plooi in het bovenooglid

Deze afwijkingen wijzen alledrie op hetzelfde: volumetekort in de oogkas. Dit kan komen doordat er geen implantaat in de oogkas zit, of doordat het implantaat te klein is. In het verleden werd tijdens de operatie om een oog te verwijderen niet altijd een implantaat in de oogkas geplaatst. Ook vulden sommige oude modellen implantaten het volume minder effectief aan.

De afwijking kan ook worden veroorzaakt door een geleidelijke afname van de hoeveelheid vet in de oogkas. Dit probleem komt voor na verwijdering van een oog, de oorzaak is onbekend.

Beide problemen zijn niet met een grotere prothese te verhelpen. Om ze te verhelpen is er maar één remedie: het volume in de oogkas moet worden aangevuld. Hiervoor bestaan verschillende mogelijkheden zoals plaatsing van een implantaat (of een groter implantaat) in de oogkas, plaatsing van een implantaat op de bodem van de oogkas of plaatsing van een transplantaat van huid en vet uit de bil in de oogkas.

Bij plaatsing of vervanging van een implantaat in de oogkas wordt onder narcose een opening gemaakt in het weefsel van de socketholte. Via die opening wordt het implantaat in de oogkas geplaatst. Na deze operatie past de prothese niet meer. U krijgt dan een voorlopige prothese, na ongeveer twee maanden kan een nieuwe prothese worden aangepast.

Een oogkasbodem-implantaat (Medpor) wordt meestal gebruikt wanneer er, ondanks een implantaat in de oogkas, toch nog een tekort aan volume (een te diep liggende prothese, of een diepe plooi in het bovenooglid) blijft bestaan. Bij plaatsing van een implantaat op de oogkasbodem wordt een snee in de huid onder het onderooglid gemaakt en wordt de huid losgemaakt tot aan de oogkasrand. Vervolgens wordt de oogkasbodem geopend en wordt er een voorgevormd implantaat op de oogkasbodem geplaatst.

Deze ingreep heeft als voordeel dat de holte waarin de prothese wordt gedragen meestal niet verandert, en dat uw prothese blijft passen. Nadelen: de volumetoename is beperkt en de oogprothese kan relatief te hoog komen te staan. Ook kan door deze ingreep gedurende enkele maanden een enigszins doof gevoel in de lip optreden doordat de zenuw die de gevoeligheid van de lip verzorgt door de oogkasbodem loopt.

Een transplantaat van huid en vet uit de bil wordt alleen gebruikt wanneer een gewoon implantaat een of meerdere malen is uitgestoten. Een huid/vet transplantaat geeft een minder goede volumeverbetering, maar het wordt zelden afgestoten. De ingreep veroorzaakt wel een litteken op de bil, dit plaatsen wij zodanig dat het bedekt wordt door onder- en zwemkleding van redelijk formaat.

Problemen met een socket moeten meestal operatief worden opgelost. Sommige afwijkingen (zoals laagstand van het onder- of bovenooglid) zijn meestal eenvoudig te verhelpen. In andere gevallen zijn de afwijkingen vaak lastig te verhelpen en zijn er soms meerdere operaties nodig. Omdat de problemen per patiënt verschillen kan pas tijdens een consult worden nagegaan welke problemen er bestaan, wat de mogelijke oplossingen zijn en wat de kans van slagen is.

De Lairessestraat 59   1071 NT   Amsterdam   020-679 71 55   omca@me.com   www.omca.nl